
De bal die niet wilde luisteren
Het blijft een wonderlijk spel, golf. Je staat daar, in een keurige rij volwassen mensen, allemaal zwijgend in afwachting van een klein wit balletje dat zich misschien laat sturen. De een maakt een pre-swing die meer wegheeft van tai chi, de ander schraapt met zijn schoen alsof hij op zoek is naar grondwater. Iedereen probeert vooral niet op te vallen, en valt daarmee uiteraard ontzettend op.
Ik had zo’n dag waarop de golfbaan tegen je fluistert: ga toch lekker iets anders doen. De driving range was al een voorbode. Mijn driver produceerde ballen die een vluchtpatroon hadden dat zelfs een natuurkundige niet had kunnen voorspellen. Slice, hook, wormburner—ik heb ze allemaal langs zien komen. Het was alsof de club zei: “Jij wilt naar rechts, ik wil naar links, laten we elkaar halverwege kwijt raken.”
Maar goed, koppig als ik ben, ging ik tóch de baan op. Want dat is het mooie aan golf: het geloof dat de volgende slag alles rechtzet. Dat geloof is irrationeel, maar hardnekkig. Vraag maar aan elke golfer; het is de brandstof waarop we lopen.
Op Boerveen 7 gebeurde het. Een prachtige par drie, licht dalend zonnetje erbij, precies het soort hole dat je moet koesteren. Ik nam een ijzer 6, ademde diep in, dacht: nu even serieus. Ik zwaaide soepel—althans, dat dacht ik. De bal koos echter voor een andere interpretatie van soepel: hij vertrok als een knikker uit een flipperkast, stuiterde links tegen een boom, ketste bijna haaks rechtsaf en belandde, met gevoel voor ironie, precies tussen de twee rode teeblokjes in.
Ik kon het niet inhouden: ik moest lachen. Om mezelf vooral. Want golf doet iets dat geen andere sport zo goed kan: het haalt je ego onderuit, maar laat je tegelijkertijd verliefd blijven. Alsof de baan fluistert: je bent hopeloos… maar blijf vooral terugkomen.
En dat doe ik. Elke keer weer. En elke keer weer word ik begroet door een bal die niet wil luisteren, een swing die beter kan, en een glimlach die dat allemaal wel prima vindt.
Want ergens diep vanbinnen weet iedere golfer: het gaat niet om die perfecte slag. Het gaat om de poging. De koppigheid. En vooral om dat ene moment waarop de bal wél luistert—en je meteen vergeet wat er de vorige 87 slagen gebeurde.
